Strategieën voor conservering
CGN voert onderzoek uit om conserveringsstrategieën (in situ en ex situ) te ontwikkelen en te verbeteren. Het onderbouwen van keuzes voor opname van genetisch materiaal in een genenbank en het voorkomen van inteeltproblemen zijn daarin belangrijke elementen. Het CGN adviseert beheerders van (kleine) populaties landbouwhuisdieren en draagt bij aan de ontwikkeling van richtlijnen voor conserveringsprogramma's. CGN heeft een rekenprogramma waarmee de inteelttoename berekend kan worden en een fokadvies opgesteld.
CGN activiteiten:
- Ontwikkeling van methoden om genetische diversiteit te behouden in kleine populaties, een AIO-project, uitgevoerd door Pieter Oliehoek (2003-2007). Het onderzoek bouwt voort op eerdere promotieonderzoeken van de Wageningen Universiteit/Animal Sciences Group:
Meer informatie op: www.geneticdiversity.net

- Ondersteuning van beheerders van kleine rassen/fokpopulaties op het gebied van genetisch management. Daarbij wordt gestreefd naar minimalisatie van inteelttoename en optimalisatie van de fokkerijstructuur en het fokbeleid en wordt gebruik gemaakt van afstammingsinformatie en informatie over genetische merkers (Jack Windig). Publikatie: Inteelt en genetische diversiteit in het Schoonebeeker schaap.
- Onderbouwing van het innamebeleid voor de genenbank per ras en diersoort. Verschillende criteria worden gehanteerd bij het keuzeproces, waaronder een analyse van de bijdrage van individuen en rassen aan de totale diversiteit. Zowel afstammingsgegevens als merkergegevens worden daarvoor gebruikt (Jack Windig).
CGN heeft in samenwerking met de Stichting Zeldzame Huisdierrassen een rekenprogramma (conservation planner) ontwikkeld, waarmee het aantal benodigde genenbank doses kan worden berekend.

Genetisch management: vaststelling van mate van inteelt en fokadviezen:
Om genetische diversiteit te behouden en om fokkerijorganisaties en het innamebeleid van de genenbank te ondersteunen kan onderzoek gedaan worden. Inteelttoename kan berekend worden met behulp van de “optimale contributie theorie”. Dieren met een lage gemiddelde verwantschap kunnen voor de fokkerij gebruikt worden, zodat inteelt kan afnemen. Ook kan men dieren zoeken die de meest gunstige bijdrage voor de genenbank kunnen leveren.